Keukentermen

  1. Een rijke keuken vereist een rijke woordenschat.

    Wie vaak kookt en regelmatig recepten uitprobeert, zal meer dan eens stoten op een vreemde term uit het keukenlatijn.

    Wil je weten wat men bedoelt met 'blancheren' en 'brideren', of heb je geen idee wat een 'ziste' is? Ontdek deze en vele andere termen uit het culinaire jargon in deze handige lijst met keukentermen!

  2. A

    Aanlengen
    het toevoegen van weinig vocht (water, melk of wijn)
    A point-rosé
    Het vlees bakken tot op een bepaald  punt, zodat het vlees bij insnijding nog een lichte streep van rood vlees vertoont die reeds verkleurt naar rose.
    Aromaten
    Kruiden of groenten die gebruikt worden om een gerecht de smaak en geur te verlenen.
    Arroser
    Vlees, wild of gevogelte overgieten met braadsappen gedurende de braadtijd zodat het sappig blijft.
    Aspic
    Een gerechtje in gelei.
    Al dente
    het koken van deegwaren of groenten zodat ze net zacht zijn, maar nog weerstand bieden (knapperig of bijtvast)
    Affineren
    Laten rijpen (vooral van kaas)

    naar boven
  3. B

    Bain- Marie
    heet waterbad waarin bepaalde bereidingen en sausen warm gemaakt worden of op temperatuur worden gehouden (vb. smelten van chocolade)
    Barde
    Stuk spek
    Barderen
    gevogelte, vlees, wild of vis voor het braden met vet spek omwikkelen, zodat het niet uitdroogt
    tijdens het gaar maken.
    Beslag
    Vulling of mengsel
    Binden
    Soep of saus dik en glad maken
    Bien cuit - Goed gebakken vlees
    Vlees bakken tot op een bepaald  punt , zodat er binnenin geen spoor meer is van ongebakken vlees. Voor de kenners is dit stadium van bakken een "moord" voor  mooi rood vlees.
    Blancheren
    groenten of vlees opzetten in koud water, aan het kookpunt brengen (en meestal nadien verfrissen onder koud water).
    Bleu - rauw vlees             
    Vlees dat goed dicht geschroeid is maar nog steeds zeer rood binnenin. Het vlees moet wel warm zijn!
    Blindbakken
    Taartjes of deegjasjes zonder vulling bakken zodat ze een stevige rand krijgen. Het deeg wordt daarbij dikwijls bekleed met bakpapier en gevuld met gedroogde peulvruchten. De bodem blijft dan mooi vlak en de rand zakt niet naar beneden.
    Blussen
    Vocht (wijn, bouillon) toevoegen aan bakresten zodat er een basis ontstaat voor een saus.
    Bouillon
    Een aftreksel, verkregen door het koken van vis, vlees of groenten. Dit vocht kan gebruikt worden in soepen en sausen in plaats van een scheutje water. Het woord ‘bouillon’ gebruikt men ook vaak voor  heldere soepen.
    Bouquet-garni
    Dit is een kruidenboeketje  dat bestaat uit tijm, peterselie en laurier. Wordt gebruikt voor het bereiden van sauzen en soepen.
    Bouquet-marmite
    Dit is een groentenbundel van prei, selder en wortelen.
    Braiser
    Braiser is gaar smoren in een warme oven op een bodem van aromaten en bevochtigd met  een fond, saus of wijn.
    Brideren
    Opbinden van gevogelte of wild om het tijdens het koken in vorm te houden.
    Brûler
    Schroeien, branden
    Brunoise
    In dobbelsteentjes gesneden groenten of vlees, gebruikt als vulling of als garnituur.

    naar boven
  4. C

    Carré
    Ribstuk. Vlees aan het ruggedeelte en ribben.
    Chemiser
    Een bakplaat of bakvorm bekleden met een deeglaag of gelei.
    Toedekken van een gerecht met een deeglaag.
    Citroneren
    Groente met citroen inwrijven zodat deze niet snel zwart wordt
    Confit
    In eigen vet ingemaakt vlees.
    Kan ook een etenswaar zijn dat gekonfijt werd in suiker, azijn of zuur.
    Consommé
    Het zeven van een  fond, waardoor een heldere bouillon verkregen wordt.
    Coulis
    Ingekookte puree van  vruchten of groenten en wordt dikwijls gebruikt als saus.
    Court-bouillon
    Kruidenbouillon met witte wijn, citroen of azijn en groenten, dat gebruikt wordt voor het gaar maken van vis of schaaldieren.

    naar boven
  5. D

    Déglacer
    Fond of water aan een braadpan toevoegen om aangekoekte vleessappen los te koken van de bodem.
    Dégraisser
    Ontvetten, vet afscheppen of afsnijden.
    Démouler
    Dit is een gerecht of taart uit de vorm nemen.
    Désosser
    Botjes en beenderen verwijderen van vlees of vis ontgraten.
    Doreren  
    de buitenkant van deeg met losgeklopt eierdooier instrijken, om het gebak in de oven een gulden schijn te geven.

    naar boven
  6. E

    Effiler
    Vlees of vis in kleine stukjes doen, uitrafelen.
    En Papillote
    Bereidingswijze waarbij een  gerecht samen met kruiden en vloeistof in aluminiumfolie wordt gewikkeld en in de bakoven gaar wordt.
    Embrocher
    Op een spies steken vlees, groenten of fruit.
    Emincer
    In dunne reepjes of plakjes snijden.
    Epicer
    Kruiden, aromatische stoffen toevoegen aan een gerecht.
    Escalope
    Dit is een dun schijfje vlees, gevogelte of vis.
    Essence
    Aromatisch afkooksel, extract.
    Extra vierge
    Een kwaliteitslabel voor olijfolie dat staat voor de beste kwaliteit.

    naar boven
  7. F

    Farce
    Een vulling die bestaat uit fijngehakte rauwe of gekookte ingrediënten.
    Fileren
    Het lossnijden van vlees of vis van de botten of graten.
    Filo deeg
    papierdun deeg van bloem en water. Wordt vaak gebruikt om ingrediënten in te verpakken en in de oven te verwarmen.
    Flamberen
    Het door drank overgoten gerecht doen branden.
    Fond
    Ingekookte bouillon op basis van vlees, vis of wild. Wordt gebruikt als basis voor het maken van sausen en ragouts.
    Fumet
    Sterk geparfumeerde en geconcentreerde bouillon op basis van vlees, vis of wild. Vergelijkbaar met en fond, maar heeft minder kooktijd nodig.
    Frapperen
    Snel afkoelen..
    Frémir
    Zeer zachtjes  laten koken
    Fruiten
    in korte tijd bruin bakken.
    Fritto misto
    ingrediënten die in een pannenkoekendeeg worden gedompeld en daarna gefrituurd. (=Italiaanse benaming)

    naar boven
  8. G

    Galette
    Plat en rond schijfje deeg of gebak.
    Garneren
    Een gerecht mooi versieren. De garnituur is een onderdeel van het gerecht dat tegelijk met het hoofdbestanddeel wordt geserveerd.
    Ganache
    crème met chocoladesmaak.
    Gelatine
    Bindmiddel in poedervorm of blaadjes, dat glazig en geleiachtig bindt. Lost op in warme vloeistoffen.
    Givreren
    Een gerecht met geraspt ijs bedekken.
    Granité
    Sorbet van schilfers ijs en vruchtensap al dan niet met suiker.
    Gratineren
    Een gerecht in de oven bruin laten worden door het vooraf te bestrooien met geraspte kaas, paneermeel of door het te bestrijken met een eierdooier.
    Glaceren
    Bestrijken van gerechten met fonds, gelei, suikerstroop,... Hierdoor drogen deze niet zo snel uit en smaken ze beter. Ook een groente voor de glans even in suiker stoven.

    naar boven
  9. H

    Hacheren
    Met het mes of machinaal zeer fijn hakken.
    Havir
    Franse term voor het vlees aan de buitenzijde aanbraden (laten korsten). Dichtschroeien zonder dat het binnenin gaar is.

    naar boven
  10. I

     

    naar boven
  11. J

    Jardinière
     ...à la jardinière: met groetengarnituur. Een gerecht met in stukjes gesneden groenten.
    Julienne
    In kleine gelijkmatige stukjes gesneden groenten.

    naar boven
  12. K

    Karameliseren
    Suiker of een suikerstroopje verhitten tot het bruin kleurt.
    Klaren ( Clarifier ) 
    Het helder maken van een vloeistof.
    Konfijten
    2 betekenissen:
    (1) Het houdbaar maken van producten door ze langdurig te koken in een suikerstroopje en daarna te laten drogen
    (2) Langdurig laten sudderen van gevogelte of vlees in een grote hoeveelheid (ganzen)vet, zodat het lang bewaard kan blijven (=conserveren)

    naar boven
  13. L

    Larderen
    Meestal bij vlees. Het doorrijgen van een stuk vlees met dunne reepjes spek.
    Liaison
    Een mengsel van eierdooiers en room of melk dat wordt gebruikt voor het binden van soepen en sauzen en wordt ook vaak gebruikt als  vulling voor quiches en zoete taarten.

    naar boven
  14. M

    Marinade /Marineren
    Vloeistof die gearomatiseerd is. Vaak water met wijn en of azijn, met zout en kruiden.
    Vlees, wild of vis laten trekken in een marinade om het malser te doen worden en om er meer smaak en aroma aan te geven.
    Monteren
    het opwerken van een saus door op het laatste moment koude boter door de saus te kloppen.

    naar boven
  15. N

     

    naar boven
  16. O

     

    naar boven
  17. P

    Paneren
    Het aan alle kanten bedekken van vlees of vis met een laagje paneermeel zodat het na het bakken of frituren  een krokant korstje vormt.
    Parfumeren
    Met essence, likeur of sterk geurende extracten een gerecht een sterke geur of smaak geven.
    Passeren
    Door een zeef halen of filteren
    Pocheren
    Een ingrediënt (meestal eieren en fijne vis)  in vloeistof die net onder het kookpunt is gaar maken.

    naar boven
  18. Q

     

    naar boven
  19. R

    Ragoût
    Bereiding op basis van stukjes vlees, vis, gevogelte of groenten in een dikke blanke of bruine saus.
    Rijzen
    Het uitzetten van deeg of gebak door het toevoegen van een rijsmiddel of het in volume toenemen van gerechten door stijfgeklopt eiwit toe te voegen.
    Rissole
    Een gevuld gebakje van bladerdeeg.
    Rollade
    Een gekruid opgerold stuk vlees
    Roux
    Een bindmiddel voor sauzen en soepen dat bestaat uit bloem en boter.
    Roerbakken
    Kleine stukjes gesneden voedsel tijdens het bakken voortdurend rond scheppen om ze sneller te laten garen.

    naar boven
  20. S

    Sauteren
    Een voedingsmiddel vlug laten bruinen
    Saignant  -  rood vlees
    Vlees  lichtjes bakken maar wel verder dan bij de bleu bereiding.  Binnenin is het rode vlees noch zeer goed zichtbaar. Bij het versnijden  lopen  de vleessappen nog uit het vlees.
    Schrikken
    Onder koud stromend koud water houden of in ijswater zetten om het kookproces te stoppen.
    Schroeien
    Een stuk vlees of vis in hete vetstof dichtschroeien.
    Smoren
    Voedingswaren bereiden in een gesloten pan in boter of een andere vetstof, in de eigen sappen of onder toevoeging van een kleine hoeveelheid vloeistof.(het gerecht wordt niet bruin)
    Soufflé
    Warme bereiding dat bestaat uit stijfgeklopt eiwit die in de oven gegratineerd wordt
    Stomen
    Voedingsmiddelen gaar maken met behulp van stoom,  door het boven een kokende vloeistof te houden. Gezonde kooktechniek aangezien men  geen vetstoffen of water nodig heeft.
    Stoven
    Voedingswaren bereiden in een gesloten pan in boter of een andere vetstof en onder toevoeging van een vrij grote hoeveelheid vloeistof.

    naar boven
  21. T

    Terrine
    geglazuurde schaal  waarin pasteien worden bereid.
    De term terrine wordt gebruikt voor een gerecht dat in een terrine gemaakt is, voornamelijk wild, hertenvlees, patés.
    Tourneren
    Groenten in gelijkmatige, decoratieve vormen snijden. Tourneren wordt gedaan om het gerecht een speelser effect te geven én om ervoor te zorgen dat alles zoveel mogelijk gelijktijdig gaar wordt.

    naar boven
  22. U

    Uitzweten
    Een stuk vlees, gevogelte of wild in een gesloten pan laten stomen totdat de eerste druppels vocht verschijnen.

    naar boven
  23. V

    Vanner
    Roeren  in een saus tot deze  volledig is afgekoeld.  Dit om het schiften en het vormen van vellen te vermijden.
    Velouté
    Licht gebonden, romige soep of saus.

    naar boven
  24. W

     

    naar boven
  25. X

     

    naar boven
  26. Y

     

    naar boven
  27. Z

    Ziste
    Wit vliesje tussen de schil en het vruchtvlees van citrusvruchten (citroenen en sinaasappel)
    Zweten
    Groenten met zo weinig mogelijk vocht of vetstof gedeeltelijk laten garen.

    naar boven